Column: Paradoxale tolerantie

De roep van om de bescherming van de Nederlandse identiteit is in de afgelopen periode weer nadrukkelijk naar voren gekomen. De twijfel die voortkomt uit de roerige wereld die onze tijdgeest vormt, raakt aan de vraag wie we zijn en waar we vandaan komen. Het biedt zo bezien een natuurlijk moment om te reflecteren, te herijken en een nieuwe koers te bepalen. Twijfel is tenslotte geen slechte eigenschap. Het houdt ons alert en voorkomt dat we als samenleving in een afgrond storten. Wat echter nu lijkt te gebeuren is dat de beperkte herijking, en de daaruit volgende verkeerde weergave van een belangrijk deel van de Nederlandse identiteit, onvoldoende tegenspraak geboden krijgt en zelfs mainstream lijkt te worden.

Het kenschetsen van onze identiteit wordt steevast in verband gebracht met onze Joods-Christelijk-Humanistische cultuur. Het is een etiket dat gretig aftrek vindt en te pas en te onpas wordt gebruikt. Niet dat het daarmee een onjuiste  karakterisering is maar de vraag is of een dergelijke referentie wel voldoende specifiek is om te kunnen spreken van onze identiteit? Veel van onze broeders in Europa maken aanspraak op dezelfde culturele erfenis terwijl ze tegelijkertijd wel degelijk van ons verschillen. Er is dus meer nodig om onze eigenheid te karakteriseren. Mijns inziens is een van die karakteristieken onze tolerantie. Niet alleen blijkt uit verschillende onderzoeken dat wij onszelf, maar ook door de buitenwereld als tolerant worden beschouwd. Ook zijn er verschillende (historische) gebeurtenissen die dit illustreren. Of het nu gaat om de ruimte die achtervolgde Joden in de 17e eeuw kregen in Amsterdam of de hugenoten een eeuw later of de rol als voorloper in het legaliseren van het homohuwelijk. Het feit dat anders zijn door de geschiedenis heen getolereerd is, onderscheidt ons en is een van de eigenheden die het fundament van onze identiteit bepalen.      

Verwonderd neem ik echter waar dat deze tolerantie vrijwel geheel lijkt te ontbreken in de tegenwoordig gepresenteerde identiteit. Ik bedoel hierbij niet een specifieke vorm van tolerantie zoals de economisch geïnspireerde of de cultureel geïnteresseerden variant, maar tolerantie in de essentie van  haar definitie als verdragen en verduren. Het paradoxale dat zich zelfs voordoet is dat het weigeren om tolerantie te tonen, vervolgens wel gepaard gaat met de verwachting dat de oprekking van het recht van meningsuiting door anderen wel getolereerd dient te worden. Veel vreemder is mogelijk nog wel het gegeven dat in de pogingen om de identiteit te verdedigen, deze in feite geweld wordt aangedaan door niet tolerant te zijn. 

Tolerantie biedt naar mijn mening een basis die wij in deze roerige tijden dringend kunnen gebruiken. Het is een fundament waar we naar terug kunnen keren. Over de vorm moeten we de discussie voeren maar laten we beginnen met het koesteren en uitdragen van dit onderdeel van onze identiteit.

 

Deze column verscheen eerder in het septembernummer van CDA Bestuursforum