Nieuwe huiswerkopdracht voor gemeenten.

Een pennenstreek was ervoor nodig, zo heb ik me dat altijd voorgesteld. Vooraf gegaan door het nodige voorwerk en eindigend met het dichtdraaien van de pennendop, werd het lot bezegeld van een van de scholen in de portefeuille. Teruglopende leerlingenaantallen was de aanleiding en de daarmee gepaard gaande slinkende middelen zorgden voor een budgettaire nachtmerrie. De aankondiging morgen, van dit besluit, zal ongetwijfeld onrust en ongenoegen veroorzaken. Ouders zullen tegensputteren over toenemende reisafstanden. De gemeente zal spreken van een schande en het verlies van voorzieningen. De inwoners zullen mogelijk iets meer morren dan gebruikelijk, maar zullen snel weer afgeleid zijn en overgaan tot de orde van de dag. De vergrijsde en ontgroenende regio heeft onvoldoende draagkracht en de wetten van de markt gelden uiteindelijk ook hier. Jammer? Misschien. Noodzakelijk? Absoluut. De lichtschakelaar wordt omgeswitcht, het gure herfstweer betreden en de deur van kantoor slaat met een klap, die namiddag in oktober, voor het laatst dicht. De klap, die symbool staat voor het lot van College Rolduc.

Een gedramatiseerde vertelling van de gebeurtenissen eind oktober 2008 in Parkstad. Tevens een illustratie van de verdeling van bevoegdheden in, en het belang van, het voortgezet onderwijs. Onderwijsstichtingen, vaak verantwoordelijk voor meerdere separate scholen in de regio, zijn DE verantwoordelijke autoriteiten en kunnen als zodanig besluiten nemen. Besluiten, die ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor leerlingen, ouders en hele gemeenten. Reisafstanden nemen toe, keuzemogelijkheden nemen af en voorzieningenniveaus dalen daar waar in krimpregio’s besluiten tot sluiting worden genomen. Inspraak en controle is voor de buitenstaander niet meer te volgen waardoor het democratische gehalte steeds meer in de verdrukking komt en de betrokkenheid verder afneemt. De vraag van de wenselijkheid van dergelijke besluiten, wordt steeds vaker vanuit financieel oogpunt beantwoord door op afstand geplaatste professionals die binnen de door de rijksoverheid gestelde kaders opereren. De vraag van de wenselijkheid is hiermee echter maar ten dele beantwoord. Wezenlijk in de afweging van deze besluiten zouden de regionale constellatie en uitdagingen, de wensen van de leerlingen, ouders en inwoners en de rol van onderwijs t.a.v. andere beleidsterreinen moeten zijn. Met het gemis van deze zichtlijnen wordt niet alleen voorbij gegaan aan de relatie van onderwijs(instellingen) ten opzichte van de gemeenschap maar wordt o.a. een stuk contraproductiviteit vanuit overheidswege in de hand gewerkt. Ter illustratie hiervan de volgende redenatie, waarbij in het achterhoofd de situatie in de krimpende regio’s van Nederland in acht genomen moet worden.

Een goed functionerende samenleving is op het punt van samenstelling divers opgebouwd t.a.v. leeftijd, opleiding, werk etc. Voor een groot deel van deze samenleving zal allereerst werk maar vervolgens ook de nabijheid van voorzieningen een belangrijke rol spelen in de keuze voor de vestigingslocatie. Het spreekt voor zich dat in de regio’s, zoals in dit artikel benoemd, de samenstelling van de bevolking gebaad is bij een toename van vooral jonge, middel tot hoog opgeleide burgers, voor wie de keuze voor werk en voorzieningen een nog belangrijkere rol speelt in de vestigingsbepaling. Als enerzijds vanuit overheidswege een sluiting van voorzieningen wordt afgedwongen terwijl middels andere programma’s in de vitaliteit en aantrekkelijkheid van dezelfde regio’s wordt geïnvesteerd, dan is de constatering van het risico op contraproductief handelen niet zo ver gezocht. Ditzelfde effect is ook van toepassing op bijvoorbeeld de betrokkenheid van ouders en de omgeving bij onderwijs(instellingen). Enerzijds leeft de wens van de overheid om meer betrokkenheid, participatie en eigen verantwoordelijkheid. Tegelijkertijd blijven kolossen van stichtingen ontstaan waar slechts versplinterde inbrengmogelijkheden zijn. Het ontbreken van bovengenoemde zichtlijnen bemoeilijken en verhinderen zelfs gewenste maatschappelijke aspecten en dragen op deze manier niet bij aan het realiseren van de potentie van de kwaliteit van het onderwijs en de omgeving.

De huidige wet- en regelgeving biedt echter weinig tot geen mogelijkheden om deze andere invalshoeken te betrekken. Niet alleen de autonomie van de onderwijsstichtingen maar ook de wijze van financiering vanuit rijkswege laten weinig ruimte over voor lokale inbreng. Dat de gemeenten wel verantwoordelijk zijn voor het verzorgen van de huisvesting zou een verdergaande dialoog suggereren maar blijkt vaak vooral een molensteen om de nek te zijn in de ‘samenwerking’ met regionaal opererende stichtingen. Als onderwijs, en de verschillende maatschappelijke ontwikkelingen, werkelijk als een wezenlijk onderdeel beschouwd worden van onze toekomstige samenleving, economie en verzorgingsstaat, wordt het dan niet eens tijd om deze onderdelen centraal te stellen in onze aanpak voor de toekomst? Wordt het niet tijd om het belang van onderwijs te onderstrepen met een politieke afweging in plaats van een ambtelijke? Is het dan niet ook van het groot belang om alle zichtlijnen te verwerken in een integraal beleid? Naar mijn mening van wel. Maar niet door de Rijksoverheid. Die is niet bij machte om het benodigde maatwerk te leveren. Het zijn de gemeenten die, net als bij de recente decentralisaties, hier het best voor geëquipeerd zijn. Zij kunnen het beste anticiperen op de ontwikkelingen in de (nabije) toekomst. Een gedeeltelijke decentralisatie van verantwoordelijkheden voor het voortgezet onderwijs naar gemeenten, gericht op een betere aansluiting bij de lokale situatie en samenwerking met onderwijsstichtingen, is daarom broodnodig.

Het gedeeltelijke aspect van de decentralisatie zit vooral op het vlak van de inhoudelijkheid van het onderwijs. Hier blijft een taak voor de Rijksoverheid (basis curriculum, inspectie) en de onderwijsstichtingen (regionale invulling curriculum, onderwijssoorten, personeel bezetting) liggen. De gemeenten worden vooral een meer gelijkwaardige partner door de verantwoordelijkheid te krijgen voor de financiële stromen, de mogelijkheid om regionale behoeften te vertalen middels extra investeringen in het onderwijs en de verantwoordelijkheid voor het spreidingsbeleid van instellingen. Onderwijs tot inzet maken van de lokale politieke besluitvorming, met een basisverzekering vanuit het Rijk, draagt bij aan een verlevendiging van het debat en het innoveren van het samenspel tussen school en samenleving. Uiteraard zijn er in de praktische uitwerking nog tal van hobbels en uitdagingen te nemen zoals: de ruimte vanuit het Rijk voor regionale invulling of het samenspel bij gemeente overstijgende onderwijsvoorzieningen. Deze vragen mogen ons echter niet beletten om de opdracht vanuit ons subsidiariteitsbeginsel ook op dit beleidsterrein verder vorm te geven.

In mijn column van januari in dit blad, gaf ik al aan dat het tijd is voor een CDA decentralisatieagenda. Een agenda, voor de toekomstige inrichting van ons publieke bestel waarbij de kracht van de samenleving centraal staat. De huidig transformatieopgave laat nu al mooie voorbeelden zien van de kracht van de lokale betrokkenheid. Als CDA moeten wij ons hierin gesterkt zien om op deze ingeslagen weg verder te durven gaan en deze kracht ook zijn werk te laten doen voor de toekomstige generaties. Vroegtijdig een voorbeeld geven van de rol die wij als individu in onze lokale gemeenschap te vervullen hebben en kwalitatief een impuls geven aan het onderwijs en de directe omgeving.

Deze bijdrage verscheen eerder in het mei nummer van CDA bestuursforum.